Kalende bomen.
Slingers glanzende druppels.
Elke tak versierd.
Er ritselt iets. Dan,
voor mijn voeten, een eikel,
hoog weg stuiterend.
Ik loop in een bui;
een bui van dwarrelend blad.
Een gouden afscheid.
Een walnootblad valt.
Het landt op een andere;
een schurend geluid.
Langs de weg een berg
vers gezaagde boomstammen.
De storm is voorbij.
Bijna feeëriek.
Een glasachtig spinnetje.
Licht schijnt door haar heen.
