Hoezo dode boom;
in zijn boomstamholletje
wordt fluitend bemind.
Op het dak zit hij.
Hij zingt met zijn snavel vol
nestmateriaal.
Steeds minder zie ik.
De Domtoren verdwijnt meer
en meer in het groen.
Spetters op mijn hoofd.
Kijk, druppels uit de dakgoot.
Een vogel baddert.
Gekoer in een boom.
Over de nestrand steken
twee eksterstaarten.
In de laag stuifmeel
op het tafeltje staan mijn
vingerafdrukken.
Een gerooide struik.
Gewild nestmateriaal
zijn de worteltjes.
