Mijn man ontwaart ze.
Ik proef de zon in de braam.
Cadeau langs de weg.
In het stille bos
klinkt een gonzende grondtoon.
Hun aantal onthuld.
Haar paardenstaart zwaait
in hetzelfde ritme als
de staart van haar paard.
Drukke verkeersweg.
Een barst in het asfalt –
een vers toefje gras.
Tussen snelwegen
hangt een verlichtingsdraad;
(g)een punt voor vogels.
Gouden stro en zon.
Drie rietdekkers op het dak.
Zingende mannen.
Ik lig op haar kop
en rol over de veren
terug de sloot in.
